0 Informatie over de ANS 0.1 Korte ontstaansgeschiedenis van de ANS 0.1.1 Totstandkoming van de eerste druk 0.1.2 De herziene editie 0.2 De doelstelling en de doelgroepen van de ANS 0.3 De receptie van de eerste druk van de ANS 0.4 Werkwijze bij de herziening van de ANS 0.5 Opbouw, inrichting en terminologie van de ANS 0.5.1 Opbouw 0.5.2 Inrichting van de Elektronische ANS (E-ANS) 0.5.3 Gebruikte terminologie 0.6 Welk Nederlands wordt in de ANS beschreven? 0.6.1 Inleiding 0.6.2 Standaardtaal en variatie 0.6.2.1 Standaardtaal 0.6.2.2 Stijlgebonden variatie 0.6.2.2.1 Binnen de standaardtaal: 'geschreven taal' ('schrijftaal') en 'gesproken taal' ('spreektaal') 0.6.2.2.2 Buiten de standaardtaal: 'formeel' en 'informeel' 0.6.2.3 Streekgebonden variatie 0.6.2.3.1 Binnen de standaardtaal: 'geografisch verschillend' 0.6.2.3.2 Buiten de standaardtaal: 'regionaal' 0.6.2.3.3 Geografische/regionale specificatie 0.6.2.4 Andere variatie 0.6.2.5 Overzicht van de in de ANS gemaakte onderscheidingen 0.6.3 Controversiële gevallen 0.6.4 Fouten 0.6.5 'Goed' Nederlands 1 Klanken - letters - woorden 1.1 Klanken en letters 1.1.1 Inleiding 1.1.2 Klinkers 1.1.3 Medeklinkers 1.1.4 Lettergreep en klemtoon 1.2 Het woord: algemene inleiding 1.3 Overzicht van de woordsoorten 1.4 Morfologie van het woord 1.4.1 Morfologie: algemeen 1.4.2 Vormveranderingen 2 Het werkwoord (verbum) 2.1 Algemene inleiding 2.2 Soorten werkwoorden 2.2.1 Inleiding 2.2.2 Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden 2.2.3 Overgankelijke (transitieve) en onovergankelijke (intransitieve) werkwoorden 2.2.4 Wederkerende (reflexieve) en niet-wederkerende (niet-reflexieve) werkwoorden 2.2.5 Persoonlijke en onpersoonlijke werkwoorden 2.3 De vervoeging van het werkwoord 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Vormcategorieën 2.3.2.1 Algemeen 2.3.2.2 De infinitief (onbepaalde wijs) 2.3.2.3 De stam 2.3.2.4 De conjunctief (aanvoegende wijs) 2.3.2.5 De imperatief (gebiedende wijs) 2.3.2.6 Het tegenwoordig deelwoord (onvoltooid deelwoord, participium praesentis) 2.3.2.7 Het voltooid deelwoord (verleden deelwoord, participium perfecti) 2.3.2.8 De hoofdvormen van het werkwoord en de vorming van de werkwoordstijden (tempora) 2.3.2.8.1 Inleiding 2.3.2.8.2 De vorming van het presens (onvoltooid tegenwoordige tijd, o.t.t.) 2.3.2.8.3 De vorming van het imperfectum (onvoltooid verleden tijd, o.v.t.) 2.3.2.8.4 De keuze tussen hebben en zijn bij de vorming van de voltooide werkwoordstijden 2.3.2.8.4.1 Het gebruik van zijn: algemene regels 2.3.2.8.4.2 Het gebruik van hebben: algemene regels 2.3.2.8.4.3 Categorieën werkwoorden waarbij zowel hebben als zijn mogelijk is 2.3.2.8.4.3.1 Werkwoorden die overgankelijk en onovergankelijk gebruikt kunnen worden 2.3.2.8.4.3.2 Werkwoorden van beweging 2.3.2.8.4.4 Het gebruik van hebben en zijn bij enkele afzonderlijke werkwoorden 2.3.2.8.4.4.1 Gaan 2.3.2.8.4.4.2 Vergeten 2.3.2.8.4.4.3 Verliezen 2.3.2.8.4.4.4 Volgen (en afleidingen) 2.3.2.8.4.5 Het gebruik van hebben en zijn bij groepen van werkwoorden 2.3.3 Overzicht van de vervoeging van de regelmatige werkwoorden 2.3.4 Overzicht van de vervoeging van de onregelmatige werkwoorden-a 2.3.5 Lijsten van onregelmatige werkwoorden-a 2.3.5.1 Inleiding 2.3.5.2 Half onregelmatige werkwoorden 2.3.5.2.1 Voltooid deelwoord op -en, zonder klinkerverandering 2.3.5.2.2 Voltooid deelwoord op -en, met klinkerverandering 2.3.5.2.3 Imperfectum onregelmatig, met klinkerverandering 2.3.5.2.4 Imperfectum onregelmatig, met klinker- en medeklinkerverandering 2.3.5.3 Geheel onregelmatige werkwoorden 2.3.5.3.1 Met klinkerverandering 2.3.5.3.1.1 Twee verschillende klinkers 2.3.5.3.1.2 Drie verschillende klinkers 2.3.5.3.1.3 Vier verschillende klinkers 2.3.5.3.2 Met klinker- en medeklinkerverandering 2.3.6 De onregelmatige werkwoorden-b: hebben, kunnen, mogen, willen, zijn (wezen), zullen 2.3.6.1 Hebben 2.3.6.2 Kunnen 2.3.6.3 Mogen 2.3.6.4 Willen 2.3.6.5 Zijn (wezen) 2.3.6.6 Zullen 2.4 Het gebruik van de werkwoordsvormen 2.4.1 Inleiding 2.4.2 De infinitief (onbepaalde wijs) 2.4.3 De conjunctief (aanvoegende wijs) 2.4.4 De imperatief (gebiedende wijs) 2.4.5 Het tegenwoordig deelwoord 2.4.6 Het voltooid deelwoord 2.4.7 Het passief deelwoord 2.4.8 De werkwoordstijden van de indicatief (aantonende wijs) 2.4.8.1 Inleiding 2.4.8.2 De functies van de werkwoordstijden: algemeen 2.4.8.2.1 Temporele functies 2.4.8.2.2 Aspectuele functies 2.4.8.2.3 Modale functies 2.4.8.3 Functies van het presens (o.t.t.) 2.4.8.3.1 Werking, referentiepunt en spreekmoment vallen (geheel of gedeeltelijk) samen 2.4.8.3.2 Werking en referentiepunt liggen vóór het spreekmoment 2.4.8.3.3 De werking ligt na referentiepunt en spreekmoment 2.4.8.4 Functies van het perfectum (v.t.t.) 2.4.8.4.1 Inleiding 2.4.8.4.2 De werking ligt vóór referentiepunt en spreekmoment 2.4.8.4.3 Werking, referentiepunt en spreekmoment vallen (gedeeltelijk) samen 2.4.8.5 Functies van het futurum (o.t.t.t.) 2.4.8.6 Functies van het futurum exactum (v.t.t.t.) 2.4.8.7 Functies van het imperfectum (o.v.t.) 2.4.8.7.1 Temporele functies 2.4.8.7.2 Primair modale functies 2.4.8.8 Functies van het plusquamperfectum (v.v.t.) 2.4.8.8.1 Temporele functies 2.4.8.8.2 Primair modale functies 2.4.8.9 Functies van het futurum praeteriti (o.v.t.t.) 2.4.8.9.1 Primair modale functies 2.4.8.9.2 Uitdrukking van de indirecte rede 2.4.8.10 Functies van het futurum exactum praeteriti (v.v.t.t.) 2.4.8.10.1 Primair modale functies 2.4.8.10.2 Uitdrukking van de indirecte rede 2.4.8.11 Het gebruik van de werkwoordstijden in indirecte en semi-directe rede 3 Het substantief (zelfstandig naamwoord) 3.1 Algemene inleiding 3.2 Indeling van de substantieven 3.2.1 Semantische indelingen 3.2.2 Morfologische en syntactische indelingen 3.3 Genus (grammaticaal geslacht) 3.3.1 Inleiding 3.3.2 De-woorden en het-woorden 3.3.2.1 Algemene opmerkingen 3.3.2.2 De-woorden 3.3.2.2.1 Vormcategorieën 3.3.2.2.2 Betekeniscategorieën 3.3.2.3 Het-woorden 3.3.2.3.1 Vormcategorieën 3.3.2.3.2 Betekeniscategorieën 3.3.2.4 Woorden die de- en het-woord kunnen zijn 3.3.2.4.1 Met betekenisverschil 3.3.2.4.1.1 Woorden op -dom en -schap 3.3.2.4.1.2 Stofnamen 3.3.2.4.1.3 Andere substantieven 3.3.2.4.2 Zonder betekenisverschil 3.3.3 Mannelijke en vrouwelijke de-woorden 3.4 Genitief en datief 3.4.1 Genitief 3.4.1.1 Algemeen 3.4.1.2 Voorgeplaatste genitief 3.4.1.3 Nageplaatste genitief 3.4.2 Datief 3.5 Meervoudsvorming 3.5.1 Inleiding 3.5.2 Meervoud op -en 3.5.2.1 Algemene opmerkingen 3.5.2.2 Verandering van de slotmedeklinker 3.5.2.3 Verandering van de klinker of tweeklank (in de slotlettergreep) 3.5.3 Meervoud op -s 3.5.4 Kleinere categorieën 3.5.4.1 Meervoud op -eren 3.5.4.2 Woorden op -man 3.5.4.3 Leenwoorden 3.5.4.4 Bijzondere gevallen 3.5.5 Meer dan één meervoudsuitgang 3.5.5.1 Zonder betekenisverschil 3.5.5.2 Met betekenisverschil 4 Het lidwoord (artikel) 4.1 Algemene inleiding 4.2 De lidwoorden van bepaaldheid en onbepaaldheid: gebruik in het algemeen 4.3 De lidwoorden van bepaaldheid: bijzondere gebruikswijzen 4.3.1 Beklemtoond lidwoord 4.3.2 Distributief gebruik 4.3.3 In voorzetselconstituenten met een bepaald hoofdtelwoord 4.4 Het lidwoord van onbepaaldheid: bijzondere gebruikswijzen 4.4.1 Het type 'een schat van een kind' 4.4.2 In uitroepen 4.4.3 Voor bepaalde hoofdtelwoorden 4.5 Afwezigheid van een lidwoord: bijzondere gebruikswijzen 4.5.1 In kernachtige formuleringen 4.5.2 In nevenschikkingen 4.5.3 Na voorzetsels 4.5.4 Bij substantieven met 'unieke referentie' 4.5.5 Bij aansprekingen 4.5.6 Bij substantieven als naamwoordelijk deel van het gezegde 4.5.7 Bij substantieven als bepaling van gesteldheid 4.5.8 Bij substantieven die kinderspelen of muziekinstrumenten aanduiden 4.5.9 Bij substantieven in min of meer vaste verbindingen met werkwoorden 4.6 Gebruiksgevallen met en zonder lidwoord 4.6.1 Bij eigennamen 4.6.1.1 Zonder bepaling 4.6.1.1.1 Namen van mensen en dieren 4.6.1.1.2 Aardrijkskundige namen 4.6.1.1.3 Namen van hemellichamen 4.6.1.1.4 Temporele eigennamen 4.6.1.1.5 Namen van gebouwen, monumenten, pleinen, straten, parken enz. 4.6.1.1.6 Namen van organisaties, verenigingen, (overheids)instellingen, bestuurlijke eenheden of stromingen 4.6.1.1.7 Namen van bedrijven 4.6.1.1.8 Namen van kranten, weekbladen, tijdschriften enz. 4.6.1.2 Met bepaling 4.6.1.2.1 Zonder lidwoord 4.6.1.2.2 Met een onbepaald lidwoord 4.6.1.2.3 Met een bepaald lidwoord 4.6.2 Bij namen van talen 4.6.3 Bij namen van verkeersmiddelen en communicatiemedia 4.6.4 Bij namen van ziekten 4.6.5 In tijdsbepalingen 4.6.5.1 Bepaalde tijdsaanduiding 4.6.5.2 Onbepaalde tijdsaanduiding 5 Het voornaamwoord (pronomen) 5.1 Algemene inleiding 5.1.1 Indeling en karakterisering van de voornaamwoorden 5.1.2 Verwijzing en antecedent 5.2 Het persoonlijk voornaamwoord (pronomen personale) 5.2.1 Inleiding 5.2.2 Persoon en getal 5.2.3 De persoonlijke voornaamwoorden van de eerste persoon 5.2.3.1 De vormen 5.2.3.2 Het gebruik 5.2.4 De persoonlijke voornaamwoorden van de tweede persoon 5.2.4.1 De vormen 5.2.4.2 Het gebruik 5.2.5 De persoonlijke voornaamwoorden van de derde persoon 5.2.5.1 De vormen 5.2.5.2 Het gebruik 5.2.5.2.1 Verwijzing naar personen en niet-personen met mannelijke, respectievelijk vrouwelijke vormen 5.2.5.2.2 Gebruik van het 5.2.5.2.3 Gebruik van hen en hun 5.2.5.2.4 Gebruik van meervoudig haar, 'r/d'r 5.2.6 Onderwerps- en niet-onderwerpsvormen 5.2.7 Volle en gereduceerde vormen 5.2.8 Oude genitiefvormen 5.2.8.1 De vormen 5.2.8.2 Het gebruik 5.2.9 Persoonlijke voornaamwoorden met algemene referentie 5.2.9.1 Inleiding 5.2.9.2 Het gebruik van men, ze, je, ge en we 5.2.10 Het niet-verwijzende het 5.3 Het wederkerend voornaamwoord (reflexief pronomen) 5.3.1 Inleiding 5.3.2 De vormen 5.3.3 Het gebruik in het algemeen 5.3.3.1 Persoon en getal 5.3.3.2 Verwijzingsmogelijkheden 5.3.3.2.1 Inleiding 5.3.3.2.2 Verwijzing naar een onderwerp 5.3.3.2.2.1 Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar een getalsonderwerp 5.3.3.2.2.2 Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar een geïmpliceerd onderwerp 5.3.3.2.2.3 Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar het onderwerp van een omschrijving 5.3.3.2.3 Het wederkerend voornaamwoord in voorzetselconstituenten 5.3.4 Het gebruik van de neutrale vormen en de zelf-vormen 5.3.4.1 Inleiding 5.3.4.2 Het gebruik van de neutrale vormen 5.3.4.2.1 In verplicht wederkerende verbindingen 5.3.4.2.2 In toevallig wederkerende verbindingen 5.3.4.3 Het gebruik van de zelf-vormen 5.3.4.3.1 In verplicht wederkerende verbindingen 5.3.4.3.2 In toevallig wederkerende verbindingen 5.4 Het wederkerig voornaamwoord (reciprook pronomen) 5.4.1 Inleiding 5.4.2 De vormen 5.4.3 Het gebruik 5.4.3.1 Het gebruik van de zelfstandige en de niet-zelfstandige vormen: algemeen 5.4.3.2 Het gebruik na voorzetsels 5.4.3.3 Het antecedent 5.4.3.4 De verwijzingsmogelijkheden 5.4.4 Bijwoorden op -een als equivalenten van 'voorzetsel + elkaar' 5.5 Het bezittelijk voornaamwoord (possessief pronomen) 5.5.1 Inleiding 5.5.2 De bezitsrelatie 5.5.3 Volle en gereduceerde vormen 5.5.4 Vormovereenkomst 5.5.5 De niet-zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden van de eerste persoon 5.5.5.1 De vormen 5.5.5.2 Het gebruik 5.5.6 De niet-zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden van de tweede persoon 5.5.6.1 De vormen 5.5.6.2 Het gebruik 5.5.7 De niet-zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden van de derde persoon 5.5.7.1 De vormen 5.5.7.2 Het gebruik in het algemeen 5.5.7.2.1 De gereduceerde vormen 5.5.7.2.2 De relatie tot het antecedent 5.5.7.3 Bijzondere gebruikswijzen 5.5.7.3.1 Het type 'voorzetsel + bezittelijk voornaamwoord + x' 5.5.7.3.2 Het type 'Jan z'n fiets' 5.5.8 De zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden 5.5.8.1 De vormen 5.5.8.2 Het gebruik 5.5.9 Buigingsvormen en (andere) archaïsche vormen 5.5.10 Bezittelijk voornaamwoord en possessief lidwoord 5.6 Het aanwijzend voornaamwoord (demonstratief pronomen) 5.6.1 Inleiding 5.6.2 De vormen 5.6.3 Het gebruik van deze/dit - die/dat 5.6.3.1 Het gebruik in het algemeen 5.6.3.2 Bijzonderheden over het gebruik van niet-zelfstandig deze/die - dit/dat 5.6.3.2.1 Aanwijzend voornaamwoord en lidwoord 5.6.3.2.2 Het aanwijzend voornaamwoord bij eigennamen in verkleinwoordvorm 5.6.3.2.3 Expressief die/dat 5.6.3.3 Bijzonderheden over het gebruik van zelfstandig deze/die - dit/dat 5.6.3.3.1 Aanwijzend en persoonlijk voornaamwoord 5.6.3.3.2 Voorzetsel + aanwijzend voornaamwoord 5.6.3.3.3 Vooruitwijzend deze en dit 5.6.3.3.4 De steunpronomina die en dat 5.6.3.3.5 Vervangend die en dat 5.6.3.3.6 Verwijzingsmogelijkheden van dat (en dit) 5.6.3.3.7 Expressief dat 5.6.3.4 Buigingsvormen 5.6.4 Het gebruik van gene en ginds(e) 5.6.5 Het gebruik van degene,diegene, datgene 5.6.6 Het gebruik van zulk(e)/zo'n/zulk een en zulks 5.6.7 Zelf 5.6.8 Enkele andere aanwijzende woorden 5.6.8.1 Dergelijk(e),soortgelijk(e), dusdanig(e),zodanig(e) 5.6.8.2 (-)zelfde 5.6.9 Van + aanwijzend element 5.7 Het vragend voornaamwoord (interrogatief pronomen) 5.7.1 Inleiding 5.7.2 De vormen 5.7.3 Het gebruik van de niet-zelfstandige vragende voornaamwoorden 5.7.3.1 Het gebruik van welk(e) 5.7.3.2 Het gebruik van wat voor (een) 5.7.4 Het gebruik van de zelfstandige vragende voornaamwoorden 5.7.4.1 Het gebruik van wie 5.7.4.2 Het gebruik van wat (watte) 5.7.4.3 Het gebruik van welk(e) en wat voor (een) 5.7.5 Genitiefvormen en equivalenten 5.8 Het betrekkelijk voornaamwoord (relatief pronomen) 5.8.1 Inleiding 5.8.2 De vormen 5.8.3 Het antecedent 5.8.3.1 de- en het-antecedent 5.8.3.2 Vormovereenkomst met het antecedent 5.8.4 Het gebruik van het niet-zelfstandige betrekkelijk voornaamwoord welk(e) 5.8.5 Het gebruik van de zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden 5.8.5.1 Het gebruik van die 5.8.5.1.1 Met expliciet antecedent 5.8.5.1.2 Met ingesloten antecedent 5.8.5.2 Het gebruik van wie 5.8.5.2.1 Met expliciet antecedent 5.8.5.2.2 Met ingesloten antecedent 5.8.5.3 Het gebruik van welke 5.8.5.4 Het gebruik van dat 5.8.5.5 Het gebruik van wat 5.8.5.5.1 Met expliciet antecedent 5.8.5.5.2 Met ingesloten antecedent 5.8.5.6 Het gebruik van hetwelk 5.8.5.7 Het gebruik van hetgeen 5.8.5.7.1 Met expliciet antecedent 5.8.5.7.2 Met ingesloten antecedent 5.8.6 Genitiefvormen en equivalenten 5.9 Het onbepaald voornaamwoord (indefiniet pronomen) 5.9.1 Inleiding 5.9.2 De collectiverende onbepaalde voornaamwoorden 5.9.2.1 De vormen 5.9.2.2 De betekenis en het gebruik in het algemeen 5.9.2.3 Het gebruik in het bijzonder 5.9.2.3.1 Het gebruik van ieder(e),elk(e),al en alle als determinator 5.9.2.3.2 Het predicatieve gebruik van de vormen alle(n), allemaal,alles,ieder en elk 5.9.2.3.3 Het zelfstandige gebruik van de vormen iedereen, ieder,eenieder,elk, elkeen,alleman,allen en alles 5.9.2.4 Buigingsvormen 5.9.3 De niet-collectiverende onbepaalde voornaamwoorden en enkele groepen met verwante betekenis 5.9.3.1 De vormen 5.9.3.2 Het gebruik 5.9.3.2.1 Het gebruik van iemand,niemand,de een of ander,deze of gene 5.9.3.2.2 Het gebruik van (een) zeker(e),(de/het) een of ander(e),deze of gene 5.9.3.2.3 Het gebruik van wie/wat/welk(e)...ook (maar), onverschillig/om het even/gelijk/eender wie/wat/welk(e) 5.9.3.2.4 Het gebruik van de/het eerste (...) de/het beste 5.9.3.2.5 Het gebruik van iets,niets,wat, het een of ander,(het) een en ander 5.9.3.2.6 Het gebruik van enig(e)(n),enkel(e)(n), wat,een paar,sommig(e)(n), deze(n) en gene(n) 5.9.3.2.7 Het gebruik van verscheidene,verschillende, ettelijke,menig(e),menigeen 5.9.3.2.8 Het gebruik van genoeg,voldoende,zat 5.9.3.2.9 Het gebruik van die en/of die,dat en/of dat,dit en/of dit,dit en/of dat 5.9.3.3 Buigingsvormen; afleidingen op -lei en -hande 5.9.3.3.1 Buigingsvormen 5.9.3.3.2 Afleidingen op -lei en -hande 5.10 Het uitroepend voornaamwoord (exclamatief pronomen) 5.10.1 Inleiding 5.10.2 Wat 5.10.2.1 Wat + een als inleiding van een naamwoordelijke constituent 5.10.2.2 Wat + adjectivische constituent 5.10.2.3 Wat + gezegde 5.10.3 Welk + een als inleiding van een naamwoordelijke constituent 5.10.4 Zo'n en zulke als inleiding van een naamwoordelijke constituent 6 Het adjectief (bijvoeglijk naamwoord) 6.1 Algemene inleiding 6.2 Indeling van de adjectieven 6.2.1 Betekeniscategorieën van adjectieven 6.2.2 Andere semantische indelingen 6.2.2.1 Inleiding 6.2.2.2 Absolute en relatieve adjectieven 6.2.2.3 Objectieve en subjectieve adjectieven 6.2.2.4 Kwalificerende en relationele adjectieven 6.2.3 Deelwoorden en adjectieven 6.2.4 Enige bijzondere gebruiksgevallen 6.3 Syntactische subklassen van adjectieven 6.3.1 Attributief en niet-attributief gebruik van adjectieven 6.3.1.1 Inleiding 6.3.1.2 Attributief gebruik van adjectieven 6.3.1.3 Zelfstandig gebruik van adjectieven 6.3.1.4 Predicatief gebruik van adjectieven 6.3.1.5 Bijwoordelijk gebruik van adjectieven 6.3.2 Adjectieven die alleen attributief gebruikt kunnen worden 6.3.2.1 Betekeniscategorieën 6.3.2.2 Bijzondere gevallen 6.3.3 Adjectieven die alleen niet-attributief gebruikt kunnen worden 6.4 Vormkenmerken 6.4.1 Verbuiging: buigings- e 6.4.1.1 Buigings- e : algemeen 6.4.1.1.1 Adjectieven zonder verbogen vorm 6.4.1.1.2 Medeklinkerverandering 6.4.1.2 Gebruik van de verbogen en de onverbogen vorm: hoofdregels 6.4.1.2.1 Inleiding 6.4.1.2.2 Gebruik van de verbogen vorm 6.4.1.2.3 Gebruik van de onverbogen vorm 6.4.1.2.4 Verbuiging van combinaties van adjectieven 6.4.1.3 Gebruik van de verbogen en de onverbogen vorm: speciale regels en twijfelgevallen 6.4.2 Verbuiging: buigings- s en andere buigingsvormen 6.4.2.1 Buigings-s 6.4.2.2 Andere buigingsvormen in uitdrukkingen en in archaïsche taal 6.4.3 Trappen van vergelijking 6.4.3.1 De vormen 6.4.3.1.1 Vorming van de trappen van vergelijking 6.4.3.1.2 Omschrijving van de trappen van vergelijking met meer en meest 6.4.3.1.3 Subcategorieën van adjectieven waarvan geen trappen van vergelijking gevormd worden 6.4.3.2 Gebruik van de stellende trap 6.4.3.3 Gebruik van de vergrotende trap 6.4.3.4 Gebruik van de overtreffende trap 6.4.3.4.1 Uitdrukking van de hoogste graad 6.4.3.4.1.1 Algemene karakterisering 6.4.3.4.1.2 Constructiemogelijkheden 6.4.3.4.1.2.1 De/het + adjectief + ste 6.4.3.4.1.2.2 Het + adjectief + st(e) 6.4.3.4.1.2.3 Op + bezittelijk voornaamwoord + adjectief + st 6.4.3.4.1.2.4 Om het + adjectief + st(e) 6.4.3.4.2 Uitdrukking van een zeer hoge graad 6.4.3.4.2.1 Algemene karakterisering 6.4.3.4.2.2 Constructiemogelijkheden 6.4.3.4.2.2.1 Vormen met aller- 6.4.3.4.2.2.2 Best 6.4.3.4.2.2.3 Ten + adjectief + ste 6.4.3.4.2.2.4 Andere gevallen 7 Het telwoord (numerale) 7.1 Algemene inleiding 7.2 Hoofdtelwoorden 7.2.1 Gewone vormen van hoofdtelwoorden 7.2.1.1 Bepaalde hoofdtelwoorden 7.2.1.2 Onbepaalde hoofdtelwoorden 7.2.2 Gebruik van de gewone vormen van hoofdtelwoorden 7.2.2.1 Gebruik van hoofdtelwoorden in een naamwoordelijke constituent 7.2.2.2 Zelfstandig gebruik van hoofdtelwoorden 7.2.2.3 Predicatief gebruik van hoofdtelwoorden 7.2.3 Bijzondere vormen van hoofdtelwoorden 7.2.3.1 Telwoord + (e)n 7.2.3.2 Verkleinwoordvormen 7.2.4 Het getal van maat- en tijdsaanduidende substantieven na hoofdtelwoorden 7.3 Rangtelwoorden 7.3.1 Vorming van rangtelwoorden 7.3.2 Gebruik van rangtelwoorden 7.3.2.1 Gebruik van rangtelwoorden in een naamwoordelijke constituent 7.3.2.2 Zelfstandig gebruik van rangtelwoorden 7.4 Breukgetallen 7.4.1 Vorming van breukgetallen 7.4.2 Gebruik van breukgetallen 7.4.2.1 Gebruik van breukgetallen in een naamwoordelijke constituent 7.4.2.2 Zelfstandig gebruik van breukgetallen 7.5 Enkele spellingproblemen 7.5.1 Schrijfwijze van samengestelde hoofd- en rangtelwoorden 7.5.2 Schrijfwijze van breukgetallen 8 Het bijwoord (adverbium) 8.1 Algemene inleiding 8.2 Bijwoorden en adjectieven 8.3 Indeling van de bijwoorden 8.3.1 Indeling naar de vorm 8.3.2 Indeling naar de betekenis 8.3.3 Indeling naar de functie 8.4 Voorzetselbijwoorden 8.5 Voegwoordelijke bijwoorden 8.6 Het woord er 8.6.1 Inleiding 8.6.1.1 Globale karakterisering 8.6.1.2 Gebruikswijzen van er 8.6.2 Locatief er 8.6.3 Presentatief er 8.6.3.1 Inleidende opmerkingen 8.6.3.2 Het onderwerp bij presentatief er 8.6.3.2.1 Naamwoordelijke constituenten 8.6.3.2.2 Bijzinnen 8.6.3.2.3 Er in zinnen zonder onderwerp 8.6.3.3 Aan- of afwezigheid van presentatief er 8.6.3.3.1 Op de eerste zinsplaats 8.6.3.3.2 Buiten de eerste zinsplaats 8.6.4 Prepositioneel er 8.6.5 Kwantitatief er 8.6.5.1 Inleidende opmerkingen 8.6.5.2 Standaardtaal 8.6.5.2.1 Algemeen gebruikelijk 8.6.5.2.2 Geografisch gevarieerd 8.6.5.3 Regionaal taalgebruik 8.6.6 Combinatie en samenval 8.6.6.1 Inleidende opmerkingen 8.6.6.2 Regels voor combinatie en samenval 8.7 Voornaamwoordelijke bijwoorden 8.7.1 Bouw en onderscheid 8.7.1.1 Inleidende opmerkingen 8.7.1.2 Voornaamwoordelijke bijwoorden met een bijwoord van plaats en een voorzetsel als basis 8.7.1.3 Voornaamwoordelijke bijwoorden met een voornaamwoord en een voorzetsel als basis 8.7.2 Functies 8.7.3 Gebruik van voornaamwoordelijke bijwoorden 8.7.4 Scheidbaarheid van voornaamwoordelijke bijwoorden 9 Het voorzetsel (de prepositie) 9.1 Algemene inleiding 9.2 Indeling in types 9.2.1 Voorzetsels in engere zin 9.2.2 Achtergeplaatste voorzetsels 9.2.3 Combinaties van twee voorzetsels 9.2.4 Voorzetseluitdrukkingen 9.3 Overzicht van de voornaamste voorzetsels 9.3.1 Inleiding 9.3.2 Voorzetsels in engere zin 9.3.3 Achtergeplaatste voorzetsels 9.3.4 Combinaties van twee voorzetsels 9.3.5 Voorzetseluitdrukkingen 10 Het voegwoord (de conjunctie) 10.1 Algemene inleiding 10.2 Nevenschikkende voegwoorden 10.3 Onderschikkende voegwoorden 10.3.1 Inleiding 10.3.2 Grammatisch verbindende voegwoorden: dat,of, om 10.3.2.1 Dat en of in zekerheid respectievelijk onzekerheid uitdrukkende zinnen 10.3.2.2 Dat en of in uitroepende zinnen 10.3.2.3 Om 10.3.3 Voegwoorden van tijd 10.3.3.1 Inleiding 10.3.3.2 De inhoud van de rompzin gaat in de tijdsorde vooraf aan die van de bijzin: voor,voordat,eer, eerdat,aleer,vooraleer, alvorens;tot,totdat 10.3.3.3 De inhouden van romp- en bijzin worden (ongeveer) gelijktijdig gerealiseerd: terwijl,zolang,zolang als, (van) zodra,zo gauw,zo gauw als,sinds,sedert;toen, nu,als,wanneer 10.3.3.4 De inhoud van de rompzin volgt in de tijdsorde op die van de bijzin: nadat,na,zodra;toen, nu,als,wanneer 10.3.4 Voegwoorden van causaliteit: omdat,doordat, aangezien,daar,vermits (dewijl,doordien,naardien, nademaal,overmits,wijl); door,met;dat 10.3.5 Voegwoord van gevolg: zodat 10.3.6 Voegwoorden van graadaanduidend gevolg: dat,dan dat,om 10.3.7 Voegwoorden van doel: dat,opdat;om, teneinde 10.3.8 Voorwaardelijke voegwoorden: als,wanneer, indien,ingeval,zo;mits, tenzij,tenware 10.3.9 Voegwoorden van toegeving (concessieve voegwoorden) 10.3.9.1 Voegwoorden met uitsluitend toegevende functie: al, hoewel,alhoewel,ofschoon (schoon), hoezeer 10.3.9.2 Voegwoorden met voorwaardelijke en toegevende functie: of, al 10.3.10 Voegwoorden van omstandigheid: zonder (dat);in plaats van (dat),in plaats dat 10.3.11 Beperkende voegwoorden: behalve (dat), uitgezonderd;in zover(re),(voor) zover;dat 10.3.12 Uitbreidende voegwoorden: behalve (dat);laat staan (dat) 10.3.13 Voegwoorden van verhouding: naargelang,naarmate; hoe (...hoe),hoe (...des te) 10.3.14 Voegwoorden van vergelijking 10.3.14.1 Alsof,of,als (niet-werkelijkheid) 10.3.14.2 Als,zoals,evenals, gelijk,zo (gewone vergelijking) 10.3.14.3 Als (hoedanigheid) 10.3.14.4 Als in het type '(Zo) dik als ze is' 10.3.14.5 Dan,als (ongelijkheid) 10.3.15 Voegwoord van modaliteit: naar 11 Het tussenwerpsel (de interjectie) 11.1 Algemene inleiding 11.2 Soorten tussenwerpsels 11.2.1 Indeling naar de vorm 11.2.2 Indeling naar de betekenis 11.2.2.1 Niet-betekenisdragende of klanknabootsende tussenwerpsels 11.2.2.2 Betekenisdragende tussenwerpsels 11.2.2.2.1 Inleiding 11.2.2.2.2 Niet-noodzakelijk emotionele tussenwerpsels 11.2.2.2.2.1 Mededelingen 11.2.2.2.2.2 Bevelen, aanmaningen, aansporingen 11.2.2.2.2.3 Vragen 11.2.2.2.2.4 Formules voor sociaal verkeer 11.2.2.2.3 Noodzakelijk emotionele tussenwerpsels 11.3 Gebruik van de tussenwerpsels 11.3.1 Inleiding 11.3.2 Vóór de zin 11.3.3 Achter de zin 11.3.4 In de zin 12 Woordvorming 12.1 Algemene inleiding 12.1.1 Woordvormingsprocédés 12.1.2 Productiviteit 12.2 De vorming van werkwoorden 12.2.1 Afleiding 12.2.1.1 Inleiding 12.2.1.2 Afleiding zonder toevoegsel 12.2.1.2.1 Met een substantief als grondwoord 12.2.1.2.2 Met een adjectief als grondwoord 12.2.1.3 Afleiding door middel van een voorvoegsel 12.2.1.3.1 Het voorvoegsel be- 12.2.1.3.1.1 Met een onovergankelijk (gebruikt) werkwoord als grondwoord 12.2.1.3.1.2 Met een overgankelijk (gebruikt) werkwoord als grondwoord 12.2.1.3.1.3 Met een substantief als grondwoord 12.2.1.3.1.4 Met een adjectief als grondwoord 12.2.1.3.2 Het voorvoegsel de- 12.2.1.3.3 Het voorvoegsel dis- 12.2.1.3.4 Het voorvoegsel ge- 12.2.1.3.5 Het voorvoegsel her- 12.2.1.3.6 Het voorvoegsel ont- 12.2.1.3.6.1 Met een werkwoord als grondwoord 12.2.1.3.6.2 Met een substantief als grondwoord 12.2.1.3.6.3 Met een adjectief als grondwoord 12.2.1.3.7 Het voorvoegsel ver- 12.2.1.3.7.1 Met een werkwoord als grondwoord 12.2.1.3.7.2 Met een substantief als grondwoord 12.2.1.3.7.3 Met een adjectief als grondwoord 12.2.1.4 Afleiding door middel van een achtervoegsel 12.2.1.4.1 Het achtervoegsel -eer 12.2.1.4.2 Het achtervoegsel -el 12.2.1.4.3 Het achtervoegsel -er 12.2.1.4.4 Het achtervoegsel -ig 12.2.1.5 Afleiding door middel van een combinatie van een voorvoegsel en een achtervoegsel 12.2.2 Samenstelling 12.2.2.1 Inleiding: scheidbaar en onscheidbaar samengesteld werkwoord 12.2.2.2 Bijwoord + werkwoord 12.2.2.2.1 Inleiding 12.2.2.2.2 Ongeleed bijwoord + werkwoord 12.2.2.2.2.1 aan- 12.2.2.2.2.1.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.1.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.2 achter- 12.2.2.2.2.2.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.2.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.3 af- 12.2.2.2.2.4 bij- 12.2.2.2.2.5 binnen- 12.2.2.2.2.6 boven- 12.2.2.2.2.7 buiten- 12.2.2.2.2.8 door- 12.2.2.2.2.8.1 scheidbaar Hierbij kunnen de volgende betekenisgroepen onderscheiden worden, waarbij echter overgangsgevallen mogelijk zijn. 12.2.2.2.2.8.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.9 heen- 12.2.2.2.2.10 in- 12.2.2.2.2.11 langs- 12.2.2.2.2.12 mee- (mede-) 12.2.2.2.2.13 mis- 12.2.2.2.2.13.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.13.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.14 na- 12.2.2.2.2.15 neer- (neder-) 12.2.2.2.2.16 om- 12.2.2.2.2.16.1 scheidbaar Met om kunnen scheidbare werkwoorden gevormd worden, die in de volgende betekenisgroepen in te delen zijn. 12.2.2.2.2.16.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.17 onder- 12.2.2.2.2.17.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.17.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.18 op- 12.2.2.2.2.19 over- 12.2.2.2.2.19.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.19.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.20 rond- 12.2.2.2.2.21 samen- 12.2.2.2.2.22 tegen- 12.2.2.2.2.23 terecht- 12.2.2.2.2.24 terug- 12.2.2.2.2.25 thuis- 12.2.2.2.2.26 toe- 12.2.2.2.2.27 uit- 12.2.2.2.2.28 verder- 12.2.2.2.2.29 voor- 12.2.2.2.2.29.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.29.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.30 voort- 12.2.2.2.2.31 weer- (weder-) 12.2.2.2.2.31.1 scheidbaar 12.2.2.2.2.31.2 onscheidbaar 12.2.2.2.2.32 weg- 12.2.2.2.3 Geleed bijwoord + werkwoord 12.2.2.2.3.1 Bijwoorden met een lokale, soms temporele betekenis 12.2.2.2.3.2 Bijwoorden met een richtingaanduidende, soms temporele betekenis 12.2.2.2.3.2.1 achterna- 12.2.2.2.3.2.2 achterom- 12.2.2.2.3.2.3 achterop- 12.2.2.2.3.2.4 achteruit- 12.2.2.2.3.2.5 omhoog- 12.2.2.2.3.2.6 omlaag- 12.2.2.2.3.2.7 voorbij- 12.2.2.2.3.2.8 vooruit- 12.2.2.2.3.3 Bijwoorden met een toestandaanduidende betekenis 12.2.2.2.3.3.1 achterover- 12.2.2.2.3.3.2 omver- 12.2.2.2.3.3.3 onderuit- 12.2.2.2.3.3.4 voorover- 12.2.2.2.3.3.5 aaneen-,bijeen-,dooreen-, ineen-,opeen-,uiteen- 12.2.2.3 Adjectief + werkwoord 12.2.2.3.1 Inleiding 12.2.2.3.2 Types 12.2.2.3.2.1 scheidbaar 12.2.2.3.2.2 onscheidbaar 12.2.2.4 Substantief + werkwoord 12.2.2.4.1 Inleiding 12.2.2.4.2 Types 12.2.2.4.2.1 scheidbaar 12.2.2.4.2.2 onscheidbaar 12.2.2.5 Werkwoordsstam + werkwoord 12.2.3 Samenstellende afleiding 12.2.3.1 Inleiding 12.2.3.2 Werkwoordsstam + substantief 12.2.3.3 Voorzetselbijwoord + substantief 12.3 De vorming van substantieven 12.3.1 Afleiding 12.3.1.1 Inleiding 12.3.1.2 Afleiding zonder toevoegsel 12.3.1.2.1 Met een adjectief als grondwoord 12.3.1.2.2 Met een werkwoord als grondwoord 12.3.1.2.2.1 Algemeen 12.3.1.2.2.2 Gesubstantiveerde infinitieven 12.3.1.2.2.3 Gesubstantiveerde werkwoordsstammen 12.3.1.3 Afleiding door middel van een voorvoegsel 12.3.1.3.1 Inleiding 12.3.1.3.2 Categorieën van voorvoegsels 12.3.1.3.2.1 De voorvoegsels on-,niet- en non- 12.3.1.3.2.2 Het voorvoegsel wan- 12.3.1.3.2.3 De voorvoegsels aarts-,hyper-,super- en ultra- 12.3.1.3.2.4 De voorvoegsels anti-,contra- en pro- 12.3.1.3.2.5 De voorvoegsels aarts-,loco-,opper-, sub-,super- en vice- 12.3.1.3.2.6 Het voorvoegsel ex-;oud- 12.3.1.3.2.7 Andere voorvoegsels 12.3.1.3.2.7.1 Het voorvoegsel ge- 12.3.1.3.2.7.2 Het voorvoegsel her- 12.3.1.3.2.7.3 Het voorvoegsel oer- 12.3.1.3.2.7.4 Andere voorvoegsels van uitheemse oorsprong 12.3.1.4 Afleiding door middel van een achtervoegsel 12.3.1.4.1 Substantiverings-e ter vorming van persoonsnamen, biologische termen, abstracta en streekaanduidingen 12.3.1.4.2 Achtervoegsels ter vorming van verkleinwoorden 12.3.1.4.2.1 Het achtervoegsel -je (en varianten) 12.3.1.4.2.2 De achtervoegsels -ke (en varianten) en -ie 12.3.1.4.3 Achtervoegsels ter vorming van mannelijke persoonsnamen 12.3.1.4.3.1 De achtervoegsels -aar (-enaar),-er en -ster 12.3.1.4.3.2 De achtervoegsels -aard en -erd 12.3.1.4.3.3 Het achtervoegsel -erik 12.3.1.4.3.4 Het achtervoegsel -iaan (-aan) 12.3.1.4.3.5 Het achtervoegsel -icus 12.3.1.4.3.6 Het achtervoegsel -ier (-(e)nier) 12.3.1.4.3.7 Het achtervoegsel -iet (-niet) 12.3.1.4.3.8 Het achtervoegsel -ijn 12.3.1.4.3.9 Het achtervoegsel -ist 12.3.1.4.3.10 Het achtervoegsel -ling (-eling) 12.3.1.4.3.11 Andere achtervoegsels 12.3.1.4.4 Achtervoegsels ter vorming van vrouwelijke persoonsnamen 12.3.1.4.4.1 Het achtervoegsel -e 12.3.1.4.4.2 De achtervoegsels -es (-esse) en -is (-isse) 12.3.1.4.4.3 Het achtervoegsel -in 12.3.1.4.4.4 Het achtervoegsel -se 12.3.1.4.4.5 Het achtervoegsel -ster 12.3.1.4.4.6 Andere achtervoegsels 12.3.1.4.5 Achtervoegsels ter vorming van zaaknamen 12.3.1.4.5.1 De achtervoegsels -ator,-er en -aar 12.3.1.4.5.2 Het achtervoegsel -dom 12.3.1.4.5.3 Het achtervoegsel -elaar (-aar) 12.3.1.4.5.4 Het achtervoegsel -ette 12.3.1.4.5.5 Het achtervoegsel -ij (-dij,-erij, -derij) 12.3.1.4.5.6 Het achtervoegsel -schap 12.3.1.4.5.7 Het achtervoegsel -sel 12.3.1.4.5.8 Het achtervoegsel -theek 12.3.1.4.6 Achtervoegsels ter vorming van verzamelnamen 12.3.1.4.6.1 Het achtervoegsel -age 12.3.1.4.6.2 Het achtervoegsel -dom 12.3.1.4.6.3 Het achtervoegsel -heid 12.3.1.4.6.4 Het achtervoegsel -ij 12.3.1.4.6.5 Het achtervoegsel -schap 12.3.1.4.6.6 Het achtervoegsel -uur (-tuur,-atuur) 12.3.1.4.7 Achtervoegsels ter vorming van abstracta 12.3.1.4.7.1 Het achtervoegsel -age 12.3.1.4.7.2 Het achtervoegsel -atie 12.3.1.4.7.3 Het achtervoegsel -er 12.3.1.4.7.4 Het achtervoegsel -heid (-igheid) 12.3.1.4.7.5 Het achtervoegsel -ij (-nij,-enij, -erij,-arij) 12.3.1.4.7.6 Het achtervoegsel -ing 12.3.1.4.7.7 Het achtervoegsel -isme 12.3.1.4.7.8 Het achtervoegsel -iteit 12.3.1.4.7.9 Het achtervoegsel -nis (-enis,-tenis) 12.3.1.4.7.10 De achtervoegsels -schap en -dom 12.3.1.4.7.11 Het achtervoegsel -st 12.3.1.4.7.12 De achtervoegsels -te en -de 12.3.1.5 Afleiding door middel van een combinatie van een voorvoegsel en een achtervoegsel 12.3.2 Samenstelling 12.3.2.1 Inleiding 12.3.2.2 Substantief + substantief 12.3.2.2.1 Tussenklanken 12.3.2.2.2 Betekenisgroepen 12.3.2.2.3 Enkele formele bijzonderheden 12.3.2.3 Telwoord + substantief 12.3.2.4 Adjectief + substantief 12.3.2.4.1 Inleiding 12.3.2.4.2 Verbogen adjectief + substantief 12.3.2.4.3 Onverbogen adjectief + substantief 12.3.2.5 Bijwoord + substantief 12.3.2.6 Werkwoordsstam + substantief 12.3.2.7 Groepen van woorden + substantief 12.3.2.8 Andere gevallen 12.3.2.8.1 Acroniemen 12.3.2.8.2 Samenstellingen van afwijkende vorm 12.3.2.8.3 Oude samenkoppelingen 12.3.3 Samenstellende afleiding 12.4 De vorming van adjectieven 12.4.1 De accentuering van afgeleide en samengestelde adjectieven 12.4.2 Afleiding 12.4.2.1 Inleiding 12.4.2.2 Afleiding door middel van een voorvoegsel 12.4.2.2.1 De voorvoegsels on-,non-,in- en a-;niet- 12.4.2.2.2 De voorvoegsels aarts-,hyper-,oer-, super- en ultra-;door-, in-,over- 12.4.2.2.3 De voorvoegsels anti-,contra- en pro- 12.4.2.2.4 Het voorvoegsel inter- 12.4.2.2.5 Andere voorvoegsels van uitheemse oorsprong 12.4.2.3 Afleiding door middel van een achtervoegsel 12.4.2.3.1 De achtervoegsels -achtig,-ig en -erig 12.4.2.3.1.1 Met een adjectief als grondwoord 12.4.2.3.1.2 Met een substantief als grondwoord 12.4.2.3.1.3 Met een werkwoordsstam als grondwoord 12.4.2.3.2 De achtervoegsels -baar,-(e)lijk en -zaam 12.4.2.3.2.1 Met een werkwoordsstam als grondwoord 12.4.2.3.2.2 Met een substantief als grondwoord 12.4.2.3.2.3 Met een ander woord als grondwoord 12.4.2.3.3 De achtervoegsels -s,-er,-ster, -isch en -iek 12.4.2.3.3.1 Met een persoonsnaam als grondwoord 12.4.2.3.3.2 Met de naam van een dag, maand, seizoen of windstreek als grondwoord 12.4.2.3.3.3 Met een geografische naam als grondwoord 12.4.2.3.3.4 Met een van oorsprong uitheems substantief als grondwoord 12.4.2.3.3.5 Met een ander substantief als grondwoord 12.4.2.3.4 Het achtervoegsel -en ter vorming van stofadjectieven 12.4.2.3.5 Andere achtervoegsels 12.4.2.3.5.1 De achtervoegsels -aal en -eel 12.4.2.3.5.2 Het achtervoegsel -abel 12.4.2.3.5.3 Het achtervoegsel -air 12.4.2.3.5.4 Het achtervoegsel -esk 12.4.2.3.5.5 Het achtervoegsel -haftig 12.4.2.3.5.6 Het achtervoegsel -iaans 12.4.2.3.5.7 Het achtervoegsel -ief 12.4.2.3.5.8 Het achtervoegsel -loos 12.4.2.3.5.9 Het achtervoegsel -matig 12.4.2.4 Afleiding door middel van een combinatie van een voorvoegsel en een achtervoegsel 12.4.3 Samenstelling 12.4.3.1 Inleiding 12.4.3.2 Substantief + adjectief 12.4.3.3 Substantief + deelwoord 12.4.3.3.1 Substantief + tegenwoordig deelwoord 12.4.3.3.2 Substantief + voltooid deelwoord 12.4.3.4 Werkwoordsstam + adjectief 12.4.3.5 Adjectief + adjectief 12.4.3.6 Bijwoord (adjectief) + deelwoord of adjectief 12.4.3.7 Andere combinaties 12.4.4 Samenstellende afleiding 12.4.4.1 Inleiding 12.4.4.2 Types samenstellende afleiding 12.5 De vorming van bijwoorden 12.5.1 Achtervoegsels ter vorming van 'verkleinwoordvormen' 12.5.2 Andere achtervoegsels 12.5.2.1 Het achtervoegsel -(e)lijk 12.5.2.2 De achtervoegsels -(e)lings en -s 12.5.2.3 De achtervoegsels -gewijs/-gewijze, -erwijs/-erwijze,-wijs/-wijze 12.5.2.4 Het achtervoegsel -halve 12.5.2.5 Het achtervoegsel -iter 12.5.2.6 Het achtervoegsel -waarts 12.5.2.7 Het achtervoegsel -weg 13 De constituent: algemeen 13.1 Inleiding 13.2 De bouw van een constituent 13.3 Overzicht van de constituenten 13.4 Constituenten in groter verband 14 De naamwoordelijke constituent 14.1 Algemene inleiding 14.2 De bouw van de naamwoordelijke constituent 14.3 Bepaalde, onbepaalde, categoriale en generieke naamwoordelijke constituenten 14.3.1 Bepaalde en onbepaalde naamwoordelijke constituenten 14.3.2 Categoriale en generieke naamwoordelijke constituenten 14.4 De determinator 14.4.1 Inleiding 14.4.2 Soorten determinatoren 14.4.3 De elementen in de tweede positie van de determinator 14.4.3.1 Lidwoorden 14.4.3.2 Voornaamwoorden en equivalenten 14.4.3.3 Genitieven en equivalenten 14.4.3.4 Vaste verbindingen 14.4.4 De elementen in de eerste positie van de determinator 14.4.4.1 De kwantiteitsaanduidende woorden: 14.4.4.2 Bijvoeglijke onbepaalde voornaamwoorden 14.4.4.3 Naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern 14.4.4.4 Combinaties met een vaste structuur en min of meer vaste verbindingen 14.4.4.5 Telwoorden 14.4.4.6 Nadere bepalingen 14.4.5 De elementen in de vierde positie van de determinator 14.4.5.1 Hoofdtelwoorden en breukgetallen 14.4.5.2 Nadere bepalingen 14.4.6 De elementen in de derde positie van de determinator 14.4.6.1 Adjectieven en equivalenten 14.4.6.2 Nadere bepalingen 14.4.7 Overzicht van de soorten determinatoren 14.4.8 De determinator in een partitieve constructie 14.5 Toevoegingen binnen de naamwoordelijke constituent 14.5.1 Voorbepalingen in de naamwoordelijke constituent met een substantief als kern 14.5.1.1 Adjectivische constituenten 14.5.1.2 Deelwoorden en infinitieven met te 14.5.1.3 Incorporatie van zinsdelen 14.5.2 Voorbepalingen in de naamwoordelijke constituent met een voornaamwoord als kern 14.5.2.1 Bijwoordelijke constituenten en equivalenten 14.5.2.2 Het onbepaald voornaamwoord al 14.5.3 Nabepalingen in de naamwoordelijke constituent 14.5.3.1 Inleiding 14.5.3.2 Naamwoordelijke constituenten als bijstelling 14.5.3.3 Naamwoordelijke constituenten als tijdsbepaling 14.5.3.4 Naamwoordelijke constituenten als genitiefbepaling 14.5.3.5 Bijwoordelijke constituenten 14.5.3.6 Voorzetselconstituenten 14.5.3.6.1 Voorzetselbepalingen 14.5.3.6.2 Het type 'een schat van een kind' 14.5.3.7 Constituenten voorafgegaan door een voegwoord 14.5.3.8 Zinnen 14.5.3.8.1 Beknopte bijzinnen met om te + infinitief 14.5.3.8.2 Beknopte bijzinnen met te + infinitief 14.5.3.8.3 Bijzinnen die ingeleid worden door een relativum 14.5.3.9 Adjectivische constituenten 14.5.3.9.1 Adjectivische constituenten bij een substantivische kern 14.5.3.9.2 Adjectivische constituenten in de partitieve genitief 14.5.3.10 Telwoorden op -en 14.5.3.11 Elementen als predicatieve nabepaling 14.6 Complementen binnen de naamwoordelijke constituent 14.6.1 Inleiding 14.6.2 Voorzetselconstituenten 14.6.3 Zinnen 14.6.3.1 Beknopte bijzinnen met om te of te + infinitief 14.6.3.2 Bijzinnen ingeleid door een onderschikkend voegwoord 14.6.3.3 Bijzinnen ingeleid door een vragend element 14.6.3.4 Hoofdzinnen en hoofdzinsequivalenten 14.7 Naamwoordelijke constituenten met een complexe kern 14.7.1 Inleiding 14.7.2 Kwalificerend substantief + substantief met unieke referentie (eigennaam of soortnaam) 14.7.3 Andere soortnaam + eigennaam (persoonsnaam) 14.7.4 Andere combinaties 14.8 Nominalisaties 14.8.1 Inleiding 14.8.2 Nominalisaties behorend tot type 1 14.8.3 Nominalisaties behorend tot type 2 14.8.4 Nominalisaties behorend tot type 3 15 De adjectivische constituent 15.1 Algemene inleiding 15.2 De bouw van de adjectivische constituent 15.3 Toevoegingen binnen de adjectivische constituent 15.3.1 Bijwoordelijke en adjectivische constituenten 15.3.1.1 Graadaanduidende of versterkende (voor)bepalingen 15.3.1.2 Kwantificerende (voor)bepalingen 15.3.2 Naamwoordelijke constituenten 15.3.3 Voorzetselconstituenten 15.3.4 Beknopte bijzinnen met om te + infinitief 15.4 Complementen binnen de adjectivische constituent 15.4.1 Naamwoordelijke constituenten 15.4.2 Voorzetselconstituenten 15.4.3 Bijzinnen 15.4.4 Complementen ingeleid door een voegwoord 16 De bijwoordelijke constituent 16.1 Algemene inleiding 16.2 De bouw van de bijwoordelijke constituent 16.3 Toevoegingen binnen de bijwoordelijke constituent 16.3.1 Bijwoordelijke en adjectivische constituenten 16.3.1.1 Graadaanduidende of versterkende (voor)bepalingen 16.3.1.2 Kwantificerende (voor)bepalingen 16.3.1.3 Preciserende (na)bepalingen 16.3.2 Voorzetselconstituenten 16.3.3 Bijzinnen 16.4 Complementen binnen de bijwoordelijke constituent 17 De voorzetselconstituent 17.1 Algemene inleiding 17.2 De bouw van de voorzetselconstituent 17.3 Complementen binnen de voorzetselconstituent 17.3.1 Naamwoordelijke constituenten 17.3.2 Voorzetselconstituenten 17.3.3 Bijwoordelijke of adjectivische constituenten 17.3.4 Infinitieven of infinitiefconstructies 17.3.5 Bijzinnen 17.4 Toevoegingen binnen de voorzetselconstituent 17.4.1 Substantivische naamwoordelijke constituenten 17.4.2 Voorzetselconstituenten 17.4.3 Bijwoordelijke of adjectivische constituenten 17.4.3.1 Preciserende voorbepalingen 17.4.3.2 Andere bepalingen 17.4.4 Infinitieven of infinitiefconstructies 17.4.5 Bijzinnen 17.5 De absolute met-constructie 17.5.1 Inleiding 17.5.2 Parallellie met een tegenwoordig-deelwoordconstructie 17.5.3 Plaatsingsmogelijkheden in de absolute met-constructie 17.5.4 Voorzetselbijwoorden in de absolute met-constructie 17.5.5 Bijwoordelijke bepalingen in de absolute met-constructie 17.5.6 De vorming van voornaamwoordelijke bijwoorden bij de absolute met -constructie 17.5.7 Er in de absolute met-constructie 18 De werkwoordelijke (verbale) constituent 18.1 Algemene inleiding 18.2 De bouw van de werkwoordelijke constituent 18.3 Complementen binnen de werkwoordelijke constituent 18.4 Toevoegingen binnen de werkwoordelijke constituent 18.5 Werkwoordgroepen binnen de werkwoordelijke constituent 18.5.1 Inleiding 18.5.1.1 Groepsvorming bij werkwoorden 18.5.1.2 Groepsvormend en niet-groepsvormend gebruik van werkwoorden 18.5.2 Werkwoorden met een deelwoord als aanvulling 18.5.2.1 De hulpwerkwoorden van tijd hebben en zijn 18.5.2.1.1 Hebben en zijn met een voltooid deelwoord 18.5.2.1.2 Hebben en zijn met een vervangende infinitief 18.5.2.2 Het hulpwerkwoord van het passief worden (met een passief deelwoord) 18.5.2.3 Hulpwerkwoorden van modaliteit 18.5.2.3.1 Blijken,dunken,heten, lijken,schijnen,voorkomen 18.5.2.3.2 (Be)horen,dienen,moeten,(be) hoeven,kunnen,mogen 18.5.2.4 Overige werkwoorden met een voltooid of passief deelwoord als aanvulling 18.5.2.4.1 (Ge)raken en krijgen met een deelwoord (resultatief) 18.5.2.4.2 Krijgen en zien met een passief deelwoord (semi-passief) 18.5.2.4.3 Vaste verbindingen 18.5.3 Komen met een deelwoord of een infinitief als aanvulling 18.5.4 Werkwoorden met een infinitief als aanvulling 18.5.4.1 Inleiding 18.5.4.1.1 Het geïmpliceerd onderwerp van de infinitief 18.5.4.1.2 Weglaatbaarheid van te bij infinitieven 18.5.4.2 Liggen,zitten,hangen (onovergankelijk), staan,lopen 18.5.4.3 Blijven,gaan,komen 18.5.4.3.1 Inleiding 18.5.4.3.2 Blijven 18.5.4.3.3 Gaan 18.5.4.3.4 Komen 18.5.4.3.4.1 Komen met een infinitief zonder te 18.5.4.3.4.2 Komen met een infinitief met te 18.5.4.4 De hulpwerkwoorden van modaliteit kunnen,moeten, (be)hoeven,mogen,willen, zullen 18.5.4.4.1 Inleiding 18.5.4.4.2 Eigenlijk-modaal gebruik 18.5.4.4.2.1 Kunnen 18.5.4.4.2.2 Moeten 18.5.4.4.2.3 Hoeven 18.5.4.4.2.4 Mogen 18.5.4.4.2.5 Willen 18.5.4.4.2.6 Zullen 18.5.4.4.3 Oneigenlijk-modaal gebruik 18.5.4.4.3.1 Kunnen 18.5.4.4.3.2 Moeten 18.5.4.4.3.3 Moeten en hoeven in zinnen met een 'negatief element' 18.5.4.4.3.4 Mogen 18.5.4.4.3.5 Willen 18.5.4.4.3.6 Zullen 18.5.4.4.4 Voorkomen zonder infinitief 18.5.4.5 De hulpwerkwoorden van modaliteit blijken,lijken, schijnen,heten,dunken, voorkomen,toeschijnen 18.5.4.6 (Be)horen,dienen 18.5.4.7 Durven 18.5.4.8 Zien,horen,voelen, (ruiken) 18.5.4.9 Kijk,hoor 18.5.4.10 Doen,laten 18.5.4.10.1 Doen/laten (causatief) 18.5.4.10.2 Laten (permissief) 18.5.4.10.3 Andere gebruikswijzen van laten 18.5.4.10.4 Doen (omschrijvend) 18.5.4.11 Vinden,achten 18.5.4.11.1 Vinden met een infinitief zonder te 18.5.4.11.2 Vinden/achten met een infinitief met te 18.5.4.12 Weten 18.5.4.12.1 Weten ('in staat zijn') 18.5.4.12.2 Weten ('weten waar') 18.5.4.12.3 Weten ('zich kunnen herinneren') 18.5.4.13 Helpen,leren 18.5.4.14 Hebben,krijgen 18.5.4.14.1 Hebben/krijgen met een infinitief zonder te 18.5.4.14.2 Hebben/krijgen met een infinitief met te 18.5.4.15 Zijn 18.5.4.15.1 Zijn met een infinitief zonder te 18.5.4.15.2 Zijn met een infinitief met te 18.5.4.16 Beogen,menen,vergeten, wagen,weigeren,wensen 18.5.4.17 Pogen,proberen,trachten, zien,zoeken 18.5.4.18 Besluiten,beweren,denken, eisen,geloven,hopen, verlangen,vermogen,verzuimen, vrezen,zeggen 18.5.4.19 Beloven,dreigen 18.5.4.20 Beginnen 18.5.4.21 Plegen 18.5.4.22 Geven 18.5.4.23 Hangen (overgankelijk), leggen,zetten 18.5.4.24 Staan,vallen 18.5.4.24.1 Staan 18.5.4.24.2 Vallen 18.5.4.25 Andere werkwoorden 18.5.5 Werkwoorden met aan het + infinitief als aanvulling 18.5.5.1 Inleiding 18.5.5.2 Zijn en blijken,lijken, schijnen 18.5.5.3 Blijven 18.5.5.4 Gaan,raken,slaan 18.5.5.5 Brengen,maken,krijgen, zetten;hebben,houden 18.5.5.6 Horen,zien,vinden 18.5.6 Werkwoorden met een voorzetsel + infinitief als aanvulling 18.5.6.1 Gaan/zijn/hulpwerkwoord van modaliteit + uit + infinitief 18.5.6.2 Liggen/staan + op + infinitief 18.5.7 De volgorde binnen de werkwoordelijke eindgroep 18.5.7.1 Inleiding 18.5.7.2 De plaats van de groepsvormende werkwoorden 18.5.7.2.1 Niet-plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden 18.5.7.2.2 Plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden 18.5.7.3 De plaats van het zelfstandig werkwoord in de vorm van een deelwoord 18.5.7.3.1 Inleiding 18.5.7.3.2 Eindgroepen met twee werkwoorden 18.5.7.3.3 Eindgroepen met drie werkwoorden 18.5.7.3.4 Eindgroepen met vier of meer werkwoorden 18.5.7.4 De plaats van het zelfstandig werkwoord in de vorm van een infinitief 18.5.7.4.1 Een infinitief zonder te 18.5.7.4.2 Een infinitief met te 18.5.7.4.3 Aan het + infinitief; voorzetsel + infinitief 18.5.8 Alfabetische lijst van de behandelde werkwoorden 19 De zin: algemeen 19.1 Zin, zinsdelen, zinsdeelstukken 19.1.1 Wat is een zin? 19.1.2 Zinsdelen 19.1.3 Zinsdeelstukken 19.2 Enkelvoudige en samengestelde zinnen 19.2.1 Inleiding 19.2.2 Afhankelijke en zelfstandige zinnen, bijzinnen en hoofdzinnen 19.2.3 Zinsinbedding en niveaus van beschrijving 19.2.4 Zinnen in de directe, indirecte en semi-directe rede 19.3 Beknopte bijzinnen 19.3.1 Volledige bijzinnen en beknopte bijzinnen 19.3.2 Het geïmpliceerd onderwerp van de beknopte bijzin 19.3.3 Het gebruik van om in beknopte bijzinnen met te + infinitief 19.4 Onvolledige zinnen 20 De zinsdelen 20.1 Het gezegde (predikaat) 20.1.1 Inleiding 20.1.2 Het werkwoordelijk gezegde 20.1.3 Het naamwoordelijk gezegde 20.1.3.1 Algemene karakterisering 20.1.3.2 Het werkwoordelijk deel 20.1.3.3 Het naamwoordelijk deel (predikaatsnomen) 20.1.3.3.1 Een adjectivische constituent 20.1.3.3.2 Een tegenwoordig deelwoord 20.1.3.3.3 Een naamwoordelijke constituent met een substantief als kern 20.1.3.3.4 Een naamwoordelijke constituent met een voornaamwoord als kern 20.1.3.3.5 Een bijwoordelijke constituent 20.1.3.3.6 Een infinitief(constructie) 20.1.3.3.7 Een voorzetselconstituent 20.1.3.3.8 Een afhankelijke zin (gezegdezin) 20.2 Het onderwerp (subject) 20.2.1 Inleiding 20.2.2 Taalelementen die als onderwerp dienst kunnen doen 20.2.2.1 Een naamwoordelijke constituent met een substantief als kern 20.2.2.2 Een naamwoordelijke constituent met een voornaamwoord als kern 20.2.2.2.1 Voornaamwoorden die als onderwerp dienst kunnen doen 20.2.2.2.2 Het als onderwerp van gekloofde zinnen 20.2.2.3 Een infinitief(constructie) 20.2.2.4 Een afhankelijke zin (onderwerpszin) 20.2.2.4.1 Inleiding 20.2.2.4.2 Types onderwerpszinnen 20.2.2.4.3 De hoofdzinnen met een onderwerpszin 20.2.2.4.3.1 'Aanloopjes' 20.2.2.4.3.2 Passieve hoofdzinnen 20.2.2.5 Andere elementen 20.2.3 Congruentie 20.2.3.1 Congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm 20.2.3.1.1 Begripsomschrijving en algemene regel 20.2.3.1.2 Bijzondere gevallen 20.2.3.1.2.1 Het onderwerp is een betrekkelijk voornaamwoord 20.2.3.1.2.1.1 Congruentie met het antecedent: algemeen 20.2.3.1.2.1.2 Congruentie in de constructie 'een van de + meervoudig woord + die...' 20.2.3.1.2.2 Het onderwerp is een meervoudig woord in zelfnoemfunctie of een titel in de meervoudsvorm 20.2.3.1.2.3 Het onderwerp is een naam van een organisatie of bedrijf in de meervoudsvorm 20.2.3.1.2.4 Het onderwerp drukt een rekenkundige bewerking uit 20.2.3.1.2.5 Het onderwerp is een nevenschikking 20.2.3.1.2.6 Het onderwerp is een constituent met eenheidsbetekenis 20.2.3.1.2.7 Het onderwerp bevat een substantief dat een rekeneenheid noemt 20.2.3.1.2.8 Het onderwerp bevat een hoeveelheidaanduidend substantief (aantal,massa, enz.) of het substantief soort 20.2.3.1.2.9 Het onderwerp bestaat uit de constructie 'een stuk of + telwoord + substantief' of de constructie 'een + substantief + of + telwoord' 20.2.3.2 Congruentie tussen onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde 20.2.3.2.1 Begripsomschrijving en algemene regel 20.2.3.2.2 Uitzonderingen 20.3 Het lijdend voorwerp (direct object) 20.3.1 Inleiding 20.3.2 Werkwoorden met een lijdend voorwerp 20.3.3 Taalelementen die als lijdend voorwerp dienst kunnen doen 20.3.3.1 Een naamwoordelijke constituent met een substantief als kern 20.3.3.2 Een naamwoordelijke constituent met een voornaamwoord als kern 20.3.3.3 Een afhankelijke zin (lijdendvoorwerpszin) 20.3.3.3.1 Inleiding 20.3.3.3.2 Types lijdendvoorwerpszinnen 20.3.3.3.3 De hoofdzinnen met een lijdendvoorwerpszin 20.3.3.4 Andere elementen 20.4 Het indirect object (meewerkend voorwerp en belanghebbend voorwerp) 20.4.1 Inleiding 20.4.2 Werkwoorden met een meewerkend voorwerp 20.4.3 Taalelementen die als meewerkend voorwerp dienst kunnen doen 20.4.3.1 Overzicht van de mogelijke elementen 20.4.3.2 Het gebruik van een voorzetselconstituent met aan 20.4.4 Taalelementen die als belanghebbend voorwerp dienst kunnen doen 20.5 Het ondervindend voorwerp 20.5.1 Inleiding 20.5.2 Gezegdes met een ondervindend voorwerp 20.5.3 Taalelementen die als ondervindend voorwerp dienst kunnen doen 20.6 Het voorzetselvoorwerp 20.6.1 Inleiding 20.6.2 Gezegdes met een voorzetselvoorwerp 20.6.3 Taalelementen die als voorzetselvoorwerp dienst kunnen doen 20.6.3.1 Een voorzetselconstituent 20.6.3.2 Een voornaamwoordelijk bijwoord 20.6.3.3 Een afhankelijke zin (voorzetselvoorwerpszin) 20.7 Het oorzakelijk voorwerp 20.7.1 Inleiding 20.7.2 Naamwoordelijke gezegdes met een oorzakelijk voorwerp 20.7.3 Taalelementen die als oorzakelijk voorwerp dienst kunnen doen 20.8 De door-bepaling (handelend voorwerp) 20.9 De bepaling van gesteldheid 20.9.1 Inleiding 20.9.2 De bepaling van gesteldheid tijdens de handeling 20.9.3 De bepaling van gesteldheid volgens de handeling 20.9.4 De bepaling van gesteldheid ten gevolge van de handeling 20.10 Bijwoordelijke bepalingen 20.10.1 Inleiding 20.10.2 De bepaling van plaats 20.10.2.1 Algemene karakterisering 20.10.2.2 De 'plaatsbepaling-waar?' 20.10.2.2.1 De plaats zelf wordt aangeduid (situerend) 20.10.2.2.2 Er wordt een plaats aangeduid die met de nader bedoelde plaats in verband staat (relationeel) 20.10.2.3 De richtingsbepaling 20.10.2.3.1 De 'richtingsbepaling-waarheen?' 20.10.2.3.2 De 'richtingsbepaling-vanwaar?' 20.10.3 De bepaling van tijd 20.10.3.1 Algemene karakterisering 20.10.3.2 De 'tijdsbepaling-wanneer?' 20.10.3.2.1 Het tijdstip of de periode zelf worden aangeduid (situerend) 20.10.3.2.2 Er wordt een tijdstip of een periode aangeduid die met het nader bedoelde tijdstip of de bedoelde periode in verband staat (relationeel) 20.10.3.3 De 'tijdsbepaling-hoelang?' 20.10.4 De bepaling van frequentie 20.10.5 De bepaling van graad 20.10.6 De kwantificerende bepaling 20.10.7 De bepaling van maat 20.10.8 De bepaling van causaliteit 20.10.9 De bepaling van gevolg 20.10.10 De bepaling van middel 20.10.11 De bepaling van doel 20.10.12 De bepaling van voorwaarde 20.10.13 De bepaling van toegeving 20.10.14 De bepaling van hoedanigheid 20.10.15 De bepaling van omstandigheid 20.10.16 De bepaling van beperking 20.10.17 De bepaling van verhouding 20.10.18 De bepaling van vergelijking 20.10.19 De bepaling van modaliteit 20.10.20 De bepaling van ontkenning 20.10.21 De bepaling van bevestiging 20.11 Herhaalde zinsdelen 21 Woordvolgorde in de zin 21.1 Algemene principes 21.1.1 Zinsplaatsen 21.1.1.1 Het principe van de polen van een zin 21.1.1.2 De overige zinsplaatsen 21.1.2 Woordvolgorde en informatieve geleding van een zin 21.1.2.1 Het links-rechts-principe 21.1.2.2 Gekloofde zinnen 21.1.3 Andere principes die een rol spelen bij de woordvolgorde 21.2 Indeling in zinstypes naar de vorm 21.2.1 Inleiding 21.2.2 Zinstype 1a: zinnen met voor-pv als tweede zinsdeel (vorm als van een mededelende zin) 21.2.2.1 Zelfstandige zinnen 21.2.2.2 Afhankelijke zinnen 21.2.3 Zinstype 1b: zinnen met voor-pv als eerste zinsdeel (vorm als van een ja/nee-vraag) 21.2.3.1 Zelfstandige zinnen 21.2.3.2 Afhankelijke zinnen 21.2.4 Zinstype 2: zinnen met achter-pv 21.2.4.1 Afhankelijke zinnen 21.2.4.2 Zelfstandige zinnen 21.2.5 Overloop- en hervattingsconstructies 21.3 De eerste zinsplaats 21.3.1 Inleiding 21.3.1.1 Wat kan er zoal op de eerste zinsplaats staan? 21.3.1.2 Afhankelijke zinnen die van de eerste zinsplaats uitgesloten zijn 21.3.1.3 De informatieve waarde van het element op de eerste zinsplaats 21.3.2 Een zinsdeel op de eerste zinsplaats 21.3.2.1 Volgens het links-rechts-principe 21.3.2.1.1 Bepaalde, specifiek onbepaalde, categoriale en generieke naamwoordelijke constituenten 21.3.2.1.2 Elementen met een kaderscheppende functie 21.3.2.1.3 Zinsverbindende elementen 21.3.2.1.4 Uitwisselbaarheid van elementen 21.3.2.2 In afwijking van het links-rechts-principe 21.3.2.3 Modale bepalingen 21.3.3 Delen van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats 21.3.3.1 Inleiding 21.3.3.2 Deelwoorden op de eerste zinsplaats 21.3.3.3 Infinitieven op de eerste zinsplaats 21.3.4 Inherente elementen op de eerste zinsplaats 21.3.4.1 Inleiding 21.3.4.2 Een naamwoordelijk deel van een gezegde op de eerste zinsplaats 21.3.4.3 Overige inherente elementen op de eerste zinsplaats 21.3.4.3.1 Inherente zinsdelen 21.3.4.3.2 Het eerste deel van een scheidbaar werkwoord 21.3.5 Stukken van zinsdelen op de eerste zinsplaats 21.3.5.1 Inleiding 21.3.5.2 Het eerste deel van een gesplitst voornaamwoordelijk bijwoord 21.3.5.3 Een vragend of uitroepend voornaamwoord als deel van een naamwoordelijke of adjectivische constituent 21.3.5.4 Een naamwoordelijke constituent zonder determinerend element of zonder nabepaling 21.3.5.5 Een voorzetselconstituent zonder het voorzetsel 21.3.6 Twee of meer verschillende elementen op de eerste zinsplaats 21.3.6.1 Inleiding 21.3.6.2 Voegwoordelijk bijwoord + een ander zinsdeel 21.3.6.3 Een deel van het gezegde + een of meer zinsdelen 21.3.6.4 Andere combinaties 21.3.7 Plaatsing van een element in de rompzin in plaats van in de afhankelijke zin 21.3.8 Weglating van het element op de eerste zinsplaats 21.4 Het middenstuk : wat sluit bij de eerste pool aan? 21.4.1 Inleiding 21.4.2 Overzicht van de elementen in het middenstuk 21.4.3 De plaatsing van het onderwerp: algemene regels 21.4.4 De plaatsing van het onderwerp ten opzichte van pronominale voorwerpen 21.4.5 De plaatsing van voornaamwoorden als onderwerp en als voorwerp 21.4.6 De plaatsing van er 21.4.7 De plaatsing van het onderwerp en niet-pronominale voorwerpen 21.4.7.1 De plaatsing van het onderwerp ten opzichte van het lijdend voorwerp 21.4.7.2 De plaatsing van het onderwerp ten opzichte van het indirect object 21.4.7.3 De onderlinge plaatsing van lijdend voorwerp en indirect object 21.4.7.4 De plaatsing van het onderwerp ten opzichte van twee voorwerpen 21.4.8 Bijwoordelijke bepalingen in het middenstuk 21.4.8.1 De spilplaats van bijwoordelijke bepalingen 21.4.8.2 De plaatsing van het onderwerp en de voorwerpen ten opzichte van bijwoordelijke bepalingen 21.4.8.3 De onderlinge volgorde van bijwoordelijke bepalingen 21.4.9 Het negatie-element niet/modale bepalingen/oordeelspartikels 21.4.9.1 Inleiding 21.4.9.2 Niet 21.4.9.2.1 Zinsontkenning 21.4.9.2.2 Partiële ontkenning 21.4.9.2.3 Niet meer 21.4.9.2.4 Een negatie-element in de rompzin in plaats van in de afhankelijke zin 21.4.9.3 Modale bepalingen 21.4.9.4 Oordeelspartikels 21.4.9.4.1 Focuspartikels 21.4.9.4.2 Schakeringspartikels 21.5 Het middenstuk : wat staat vlak voor de tweede pool? 21.5.1 Inleiding 21.5.2 Overzicht van de elementen 21.5.2.1 Inherente zinsdelen 21.5.2.2 Voorzetselbijwoorden 21.5.3 De onderlinge volgorde van de elementen vlak vóór de tweede pool 21.6 De tweede pool 21.6.1 Inleiding: doorbreking van de tweede pool 21.6.2 Schijnbare doorbreking van de tweede pool 21.6.2.1 Niet-groepsvormend in plaats van groepsvormend gebruik van werkwoorden 21.6.2.2 Niet-splitsing in plaats van splitsing van scheidbare werkwoorden 21.6.3 Echte doorbrekingsgevallen 21.6.3.1 Inherente zinsdelen 21.6.3.2 Zinsdelen in de constructie aan het + infinitief 21.6.3.3 Andere gevallen 21.7 De laatste zinsplaats 21.7.1 Inleiding 21.7.1.1 Wat kan er zoal vlak na de tweede pool staan? 21.7.1.2 Redenen voor achteropplaatsing van elementen 21.7.2 Zinsdelen op de laatste zinsplaats 21.7.2.1 Afhankelijke zinnen 21.7.2.2 Andere categorieën 21.7.2.2.1 Voorzetselconstituenten 21.7.2.2.2 Combinaties met als of tot als bepaling van gesteldheid 21.7.2.2.3 Naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern 21.7.2.2.4 Overige elementen 21.7.3 Zinsdeelstukken op de laatste zinsplaats 21.7.3.1 Afhankelijke zinnen 21.7.3.2 Andere categorieën 21.7.3.2.1 Voorzetselconstituenten 21.7.3.2.2 Complementen en bepalingen ingeleid door een voegwoord van vergelijking 21.7.3.2.3 Overige elementen 21.7.3.3 Een beperking op de mogelijkheden tot achteropplaatsing 21.7.4 De onderlinge volgorde van de elementen op de laatste zinsplaats 21.8 De aanloop 21.8.1 Inleiding 21.8.2 Elementen die in de aanloop voorkomen 21.8.2.1 Elementen met een anticiperende functie 21.8.2.2 Afhankelijke zinnen 21.8.2.3 Samenvattende uitdrukkingen 21.8.2.4 Voegwoordelijke bijwoorden 21.8.2.5 De constructie wat...betreft/aangaat 21.8.3 Het verwijswoord 21.9 De uitloop 21.9.1 Inleiding 21.9.2 Elementen die in de uitloop voorkomen 21.9.2.1 Verduidelijkende toevoegingen achteraf 21.9.2.2 Afhankelijke zinnen 22 Actieve en passieve zinnen 22.1 Algemene inleiding 22.2 Passieve zinnen met een grammaticaal onderwerp 22.2.1 Karakterisering 22.2.2 Beperkingen 22.2.3 Gebruik 22.2.3.1 De handeling wordt centraal gesteld 22.2.3.2 Het logisch onderwerp wordt als informatief belangrijk voorgesteld 22.3 Passieve zinnen zonder grammaticaal onderwerp 22.3.1 Karakterisering 22.3.2 Beperkingen 22.3.3 Gebruik 22.4 Andere constructies met de waarde van een passief 22.4.1 Inleiding 22.4.2 Mogelijke alternatieve constructies 22.4.2.1 Krijgen + passief deelwoord (semi-passief) 22.4.2.2 Raken/staan/zitten/liggen/blijven + (passief) deelwoord 22.4.2.3 Zijn + te + infinitief 22.4.2.4 Zijn + adjectief op -lijk of -baar (met een werkwoordsstam als grondwoord) 22.4.2.5 Wederkerende verbinding met laten 22.4.2.6 Werkwoordelijke uitdrukkingen 23 Soorten zinnen naar de communicatieve functie 23.1 Algemene inleiding 23.2 Mededelende zinnen 23.3 Vragende zinnen 23.3.1 Inleiding 23.3.2 Ja/nee-vragen 23.3.3 Keuzevragen 23.3.4 Aanhangselvragen 23.3.5 Vraagwoordvragen 23.3.6 Echovragen 23.4 Bevelende zinnen 23.5 Uitroepende zinnen 23.5.1 Inleiding 23.5.2 Uitroepende zinnen met speciale grammaticale kenmerken 23.5.2.1 Zinnen met een uitroepend voornaamwoord 23.5.2.2 Uitroepende zinnen die beginnen met dat of of 23.5.2.3 Uitroepende zinnen van het type Vuil dat het er was! 23.5.2.4 Uitroepende zinnen van het type Lummel die/dat je bent! 24 De nevenschikking: algemeen 24.1 Inleiding 24.2 De verbinding 24.2.1 Manieren van verbinding 24.2.2 De voegwoorden 24.2.3 De reeksvormers 24.3 De leden 24.3.1 De gelijkwaardigheid van de leden 24.3.1.1 De leden zijn zinnen 24.3.1.2 De leden zijn geen zinnen 24.3.2 De omkeerbaarheid van de leden 24.3.3 Beperkingen op de leden 24.4 De nevenschikking als geheel 24.4.1 Distributieve en collectieve nevenschikkingen 24.4.2 De nevenschikking als onderwerp: congruentie met de persoonsvorm 24.4.3 Splitsing van nevenschikkingen 24.4.4 Bijzondere vormen van nevenschikking 25 Gewone vormen van nevenschikking 25.1 Nevenschikking met het voegwoord en (conjunctie) 25.1.1 Betekenis en gebruik 25.1.1.1 Grondbetekenis 25.1.1.2 Gewone of logische aaneenschakeling 25.1.1.3 Verdelende aaneenschakeling 25.1.1.4 Nadrukkelijke aaneenschakeling 25.1.1.5 Rangschikkende aaneenschakeling 25.1.2 Vorm 25.1.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.1.2.1.1 Aantal leden 25.1.2.1.2 Aard van de leden 25.1.2.1.3 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.1.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.1.2.2.1 Aantal leden 25.1.2.2.2 Aard van de leden 25.2 Nevenschikking met de voegwoorden alsmede en alsook 25.2.1 Betekenis en gebruik 25.2.2 Vorm 25.2.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.2.2.1.1 Aantal leden 25.2.2.1.2 Aard van de leden 25.2.2.1.3 Splitsing 25.2.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.2.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.3 Nevenschikking met het voegwoord noch 25.3.1 Betekenis en gebruik 25.3.2 Vorm 25.3.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.3.2.1.1 Aantal leden 25.3.2.1.2 Aard van de leden 25.3.2.1.3 Splitsing 25.3.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.3.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.3.2.2.1 Aantal leden 25.3.2.2.2 Aard van de leden 25.4 Nevenschikking met het voegwoord of (disjunctie) 25.4.1 Betekenis en gebruik 25.4.2 Vorm 25.4.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.4.2.1.1 Aantal leden 25.4.2.1.2 Aard van de leden 25.4.2.1.3 Splitsing 25.4.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.4.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.4.2.2.1 Aantal leden 25.4.2.2.2 Aard van de leden 25.5 Nevenschikking met het voegwoord ofwel (dan wel, dan) 25.5.1 Betekenis en gebruik 25.5.2 Vorm 25.6 Nevenschikking met het voegwoord maar (doch) 25.6.1 Betekenis en gebruik 25.6.1.1 Grondbetekenis 25.6.1.2 Verdelende tegenstelling 25.6.1.3 Distantiërende tegenstelling 25.6.1.4 Vervangende tegenstelling 25.6.2 Vorm 25.6.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.6.2.1.1 Aantal leden 25.6.2.1.2 Aard van de leden 25.6.2.1.3 Splitsing 25.6.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.6.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.6.2.2.1 Aantal leden 25.6.2.2.2 Aard van de leden 25.7 Nevenschikking met de reeksvormer en-en 25.7.1 Betekenis en gebruik 25.7.2 Vorm 25.7.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.7.2.1.1 Aantal leden 25.7.2.1.2 Splitsing 25.7.2.1.3 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.7.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.7.2.2.1 Aantal leden 25.7.2.2.2 Aard van de leden 25.8 Nevenschikking met de reeksvormer noch-noch 25.8.1 Betekenis en gebruik 25.8.2 Vorm 25.8.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.8.2.1.1 Aantal leden 25.8.2.1.2 Aard van de leden 25.8.2.1.3 Splitsing 25.8.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.8.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.8.2.2.1 Aantal leden 25.8.2.2.2 Aard van de leden 25.9 Nevenschikking met de reeksvormers of-of en ofwel-ofwel 25.9.1 Betekenis en gebruik 25.9.2 Vorm 25.9.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.9.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.9.2.2.1 Aantal leden 25.9.2.2.2 Aard van de leden 25.10 Nevenschikking met de reeksvormer hetzij-hetzij (hetzij-of) 25.10.1 Betekenis en gebruik 25.10.2 Vorm 25.10.2.1 Algemeen 25.10.2.2 Nevenschikking van constituenten 25.10.2.2.1 Aantal leden 25.10.2.2.2 Aard van de leden 25.10.2.2.3 Splitsing 25.10.2.2.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.10.2.3 Nevenschikking van zinnen 25.10.2.3.1 Aantal leden 25.10.2.3.2 Aard van de leden 25.11 Nevenschikking met de reeksvormer zowel-als 25.11.1 Betekenis en gebruik 25.11.2 Vorm 25.11.2.1 Algemeen 25.11.2.2 Nevenschikking van constituenten 25.11.2.2.1 Aantal leden 25.11.2.2.2 Plaatsing van de elementen van de reeksvormer 25.11.2.2.3 Splitsing 25.11.2.2.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.11.2.3 Nevenschikking van zinnen 25.11.2.3.1 Aantal leden 25.11.2.3.2 Aard van de leden 25.12 Nevenschikking met de reeksvormers evenmin-als en zomin-als 25.12.1 Betekenis en gebruik 25.12.2 Vorm 25.12.2.1 Algemeen 25.12.2.2 Nevenschikking van constituenten 25.12.2.2.1 Aantal leden 25.12.2.2.2 Aard van de leden; plaatsing van de elementen van de reeksvormers 25.12.2.2.3 Splitsing 25.12.2.2.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.12.2.3 Nevenschikking van zinnen 25.13 Nevenschikking zonder verbindingswoord (asyndeton) 25.13.1 Betekenis en gebruik 25.13.2 Vorm 25.13.2.1 Nevenschikking van constituenten 25.13.2.1.1 Aantal leden 25.13.2.1.2 Aard van de leden 25.13.2.1.3 Splitsing 25.13.2.1.4 Congruentie onderwerp - persoonsvorm 25.13.2.2 Nevenschikking van zinnen 25.13.2.2.1 Aantal leden 25.13.2.2.2 Aard van de leden 26 Bijzondere vormen van nevenschikking 26.1 Nevenschikking met het voegwoord en 26.1.1 Betekenis en gebruik 26.1.1.1 Conditionele aaneenschakeling 26.1.1.2 Commentariërende aaneenschakeling 26.1.1.3 Inleidende aaneenschakeling 26.1.1.4 Additieve aaneenschakeling 26.1.1.5 Intensiverende aaneenschakeling 26.1.2 Vorm 26.1.2.1 Nevenschikking van constituenten 26.1.2.2 Nevenschikking van zinnen 26.2 Nevenschikking met het voegwoord of 26.2.1 Betekenis en gebruik 26.2.1.1 Inleiding 26.2.1.2 Exclusieve disjuncties: het eerste lid noemt de negatieve voorwaarde voor het tweede (inhoudelijk) 26.2.1.3 Exclusieve disjuncties: het tweede lid noemt de negatieve voorwaarde voor het eerste (beschouwd als uitspraak of inhoudelijk) 26.2.1.3.1 Beschouwd als uitspraak 26.2.1.3.2 Inhoudelijk 26.2.1.4 Niet-exclusieve disjuncties: het tweede lid is een herformulering van het eerste 26.2.2 Vorm 26.2.2.1 Nevenschikking van constituenten 26.2.2.2 Nevenschikking van zinnen 26.2.2.2.1 Zinnen met voor-pv 26.2.2.2.1.1 Aantal leden 26.2.2.2.1.2 Aard van de leden 26.2.2.2.2 Zinnen met achter-pv 26.3 Nevenschikking met het voegwoord maar (doch) 26.3.1 Betekenis en gebruik 26.3.1.1 Het ene lid vormt een tegenstelling met het andere beschouwd als uitspraak 26.3.1.2 Het 'tweede lid' staat in contrast met context en/of situatie 26.3.2 Vorm 26.4 Nevenschikking met het voegwoord want 26.4.1 Betekenis en gebruik 26.4.1.1 Inleiding 26.4.1.2 Het eerste lid wordt verantwoord als uitspraak 26.4.1.3 Het eerste lid wordt verantwoord wat de zinsinhoud betreft 26.4.2 Vorm 26.4.2.1 Nevenschikking van constituenten 26.4.2.2 Nevenschikking van zinnen 26.5 Nevenschikking met het voegwoord dus 26.5.1 Betekenis en gebruik 26.5.1.1 Inleiding 26.5.1.2 Het tweede lid is als uitspraak een gevolg van het eerste 26.5.1.3 Het tweede lid is inhoudelijk een gevolg van het eerste 26.5.1.4 Het 'tweede lid' is gevolgaanduidend ten opzichte van context en/of situatie 26.5.2 Vorm 26.5.2.1 Nevenschikking van constituenten 26.5.2.2 Nevenschikking van zinnen 26.6 Nevenschikking zonder verbindingswoord 26.7 Balansschikking 26.7.1 Inleiding 26.7.2 Betekenis 26.7.3 Vorm 27 De samentrekking 27.1 Algemene inleiding 27.2 Samentrekking op woordniveau 27.2.1 Algemene regels 27.2.2 Samentrekking bij combinaties van afleidingen 27.2.3 Samentrekking bij combinaties van samenstellingen 27.3 Samentrekking op woord- en constituentenniveau 27.4 Samentrekking op constituentenniveau 27.4.1 Algemene regels 27.4.2 Samentrekking bij naamwoordelijke constituenten 27.4.2.1 Weglating van de kern, eventueel met elementen in de determinator, voor- of nabepalingen 27.4.2.2 Weglating van elementen in de determinator en/of voorbepalingen 27.4.2.3 Weglating van nabepalingen 27.4.2.4 Combinaties 27.4.3 Samentrekking bij voorzetselconstituenten 27.4.4 Samentrekking bij werkwoordelijke aanvullingen binnen werkwoordgroepen 27.4.5 Samentrekking in andere gevallen 27.5 Samentrekking op zinsniveau 27.5.1 Algemene regels voor samentrekking op zinsniveau bij nevenschikkingen 27.5.2 Samentrekking bij nevenschikkingen van hoofdzinnen 27.5.2.1 Achterwaartse samentrekking 27.5.2.2 Voorwaartse samentrekking 27.5.2.2.1 Inleiding 27.5.2.2.2 Mogelijkheden 27.5.2.2.2.1 Weglating van het eerste zinsdeel 27.5.2.2.2.2 Weglating van het onderwerp bij inversie in het eerste lid 27.5.2.2.2.3 Weglating van de persoonsvorm 27.5.2.2.2.4 Weglating van het hele gezegde 27.5.2.2.2.5 Weglating van de persoonsvorm en een zinsdeel 27.5.2.2.2.6 Weglating van de persoonsvorm en een stuk van een zinsdeel 27.5.2.2.2.7 Weglating van drie of meer delen 27.5.2.3 Voorwaartse en achterwaartse samentrekking 27.5.3 Samentrekking bij nevenschikkingen van bijzinnen 27.5.3.1 Inleiding 27.5.3.2 Achterwaartse samentrekking 27.5.3.3 Voorwaartse samentrekking 27.5.3.3.1 Inleiding 27.5.3.3.2 Mogelijkheden 27.5.3.3.2.1 Weglating van het inleidende woord 27.5.3.3.2.2 Weglating van (onderwerp en) gezegde 27.5.3.3.2.3 Weglating van het inleidende element en een niet-werkwoordelijk zinsdeel 27.5.3.3.2.4 Weglating van het inleidende element en het gezegde 27.5.3.3.2.5 Weglating van het inleidende element en een stuk van een zinsdeel 27.5.3.3.2.6 Weglating van drie of meer delen 27.5.3.4 Voorwaartse en achterwaartse samentrekking 27.5.4 Samentrekking bij samengestelde zinnen 28 Modaliteit 28.1 Algemene inleiding 28.2 Soorten modaliteit 28.2.1 Inleiding 28.2.2 Gevoelsmodaliteiten 28.2.3 Verstandsmodaliteiten 28.2.3.1 Niet-werkelijkheidsmodaliteiten 28.2.3.2 (On)zekerheidsmodaliteiten 28.3 Manieren om modaliteit tot uitdrukking te brengen 28.3.1 Inleiding 28.3.2 Hulpwerkwoorden van modaliteit 28.3.3 Modale functies van werkwoordstijden 28.3.3.1 Inleiding 28.3.3.2 Het imperfectum en het plusquamperfectum en hun pendanten in een conditionele zin 28.3.3.2.1 Het gebruik van het imperfectum en het plusquamperfectum 28.3.3.2.2 Het gebruik van het futurum praeteriti (zou(den) + infinitief) en het futurum exactum praeteriti (zou(den) + hebben/zijn + voltooid deelwoord) 28.3.3.3 Het imperfectum en het plusquamperfectum na als (zin met inversie) en na alsof of of 28.3.3.4 Het imperfectum en het plusquamperfectum bij werkwoorden die 'denken' of 'zeggen' betekenen 28.3.3.5 Het plusquamperfectum bij de werkwoorden kunnen, moeten,(be)horen,(niet) hoeven, mogen en willen met een werkwoordelijke aanvulling 28.3.3.6 Het imperfectum en het plusquamperfectum ter uitdrukking van een wens 28.3.3.7 Het imperfectum en het plusquamperfectum ter uitdrukking van voorzichtigheidsmodaliteit 28.3.4 Modale functies van de conjunctief en van de imperatief 28.3.4.1 De conjunctief 28.3.4.2 De imperatief 28.3.5 Modale werkwoordelijke en naamwoordelijke gezegdes 28.3.5.1 Werkwoordelijke gezegdes 28.3.5.2 Naamwoordelijke gezegdes 28.3.6 Bepalingen van modaliteit 28.3.7 De ethische datief 29 Negatie 29.1 Algemene inleiding 29.2 Taalelementen die als negatie-element gebruikt kunnen worden 29.2.1 Voorvoegsels als negatie-element 29.2.1.1 Werkwoorden 29.2.1.2 Substantieven 29.2.1.3 Adjectieven 29.2.2 Constituenten als negatie-element 29.3 Verplichte ontkenning 29.4 Versmelting 29.4.1 Algemeen 29.4.2 Niet een en geen 29.4.3 Niet iemand en niemand;niet iets en niets 30 Aspectualiteit 30.1 Algemene inleiding 30.2 Een verdeling in aspectuele klassen 30.2.1 Puntgebeurens en eindpuntgebeurens 30.2.1.1 Puntgebeurens 30.2.1.2 Eindpuntgebeurens 30.2.1.3 Het verschil tussen puntgebeurens en eindpuntgebeurens 30.2.2 Activiteiten 30.2.3 Toestanden 30.3 De manier waarop aspectualiteit wordt uitgedrukt 30.3.1 Inleiding 30.3.2 De rol van de werkwoordelijke constituent bij het uitdrukken van aspectualiteit 30.3.2.1 Het werkwoord 30.3.2.2 De voorwerpen 30.3.2.3 Resultatieve complementen 30.3.2.4 De bepaling van frequentie 30.3.2.5 Vaste verbindingen 30.3.3 De rol van het onderwerp bij het uitdrukken van aspectualiteit 30.3.4 Aspectualiteit met betrekking tot tijdsbepalingen